Sanskriet-yogatermen begrijpen voor beginners
Als je net begint met yoga, krijg je heel snel heel veel nieuwe informatie te verwerken. Met zo’n steile leercurve kan het lastig zijn om de Engelse (of je moedertaal) namen van de houdingen en alle bijbehorende details over de uitlijning te onthouden, laat staan de Sanskrietnamen.
Maar uiteindelijk, als je de Sanskriet-namen vaak genoeg hebt gehoord, zul je misschien merken dat er veel herhalende woorden en patronen in zitten. Als je deze begrijpt, kun je de houdingen beter onthouden en krijg je een diepere band met de wortels van yoga. Het kan ook heel handig zijn als je ooit lessen in een vreemde taal volgt!
Veel van deze Sanskriet-termen, die lichaamsdelen en -posities beschrijven, zullen je ongetwijfeld bekend in de oren klinken. Ze vormen de bouwstenen van talloze houdingsnamen. In de voorbeelden hieronder zijn de termen uit deze woordenlijst cursief weergegeven, zodat je kunt zien hoe de namen zijn opgebouwd.
Sanskrietwortels
Adho: naar beneden
Wordt vaak gecombineerd met Mukha, wat ‘gezicht’ betekent, om aan te geven dat een houding omgekeerd is, of naar beneden gericht.
Voorbeeld:
Adho Mukha Svanasana: Neerwaartse hond
Ardha: Half
Dit verwijst meestal naar het halverwege zijn van een volledige houding.
Voorbeeld:
Ardha Padmasana: Halve lotus
Asana: Houding
Bijna elke naam van een houding eindigt op asana. Asana betekent ‘zitplaats’, en omdat de oorspronkelijke yogahoudingen zittend werden uitgevoerd, is het woord nu ‘houding’ gaan betekenen.
Voorbeeld:
Sukhasana: Gemakkelijke houding

Baddha: Gebonden
Beschrijft elke houding met een binding, wat meestal betekent dat de armen om een ander lichaamsdeel zijn geslagen met de handen in elkaar gevouwen.
Voorbeeld:
Baddha Parsvakonasana: Gebonden zijhoek

Bandha: Vergrendeling
Een bandha is een vergrendeling.
Voorbeeld:
Hasta Bandha: De handvergrendeling is de verbinding die je handen maken met de vloer in houdingen zoals de Neerkijkende Hond.
Eka/Ekam: Eén
Dwi: Twee
Deze termen geven meestal aan of een houding met één been of met twee benen wordt uitgevoerd. Als je Ashtanga beoefent, zul je deze termen ook herkennen uit de traditionele manier waarop de houdingen worden afgeteld.
Voorbeeld:
Eka Pada Rajakapotasana: De koningsduifhouding op één been

Hasta: Hand
Voorbeeld:
Urdhva Hastasana: Opwaartse handhouding

Kona: Hoek
Dit wordt vaak gebruikt als de benen een hoek vormen.
Voorbeeld:
Baddha Konasana: Gebonden hoek (met 'gebonden' wordt hier bedoeld dat je de twee voeten tegen elkaar drukt voor weerstand)

Mudra: zegel
Handgebaren waarbij delen van de vingers en handpalmen tegen elkaar worden gedrukt voor specifieke effecten en betekenissen.
Voorbeeld:
Anjali Mudra: Eerbiedige handhouding

Pada: Voet/been
Wordt vaak gecombineerd met Eka om houdingen te beschrijven die met één voet of been worden uitgevoerd.
Voorbeeld:
Eka Pada Utkatasana: Stoelhouding op één been

Parivrtta: Gedraaid/geroteerd
Wordt voor bekende houdingsnamen gezet als er een draai bij komt kijken.
Voorbeeld:
Parivrtta Trikonasana: gedraaide driehoekshouding

Parsva: Zijwaarts
Een houding waarbij je naar één kant gedraaid bent.
Voorbeeld:
Utthita Parvakonasana: Uitgestrekte zijhoek

Salamba: Gesteund
Salamba komt voor in de namen van verschillende belangrijke yogahoudingen, maar wordt vaak weggelaten als je er in alledaagse taal over praat.
Voorbeeld:
Salamba Sirsasana: ondersteunde hoofdstand

Supta: Liggend
Elke houding waarbij je op je rug ligt.
Voorbeeld:
Supta Padangustasana: Liggende hand-naar-grote-teen-houding

Urdhva: Omhoog
Een houding waarbij je blik naar boven is gericht.
Voorbeeld:
Urdhva Mukha Svanasana: De naar boven gerichte hond

Utthita: Uitgestrekt, uitgerekt
Veel houdingen beginnen met het woord Utthita, maar in het dagelijks gebruik wordt het soms weggelaten.
Voorbeeld:
Utthita Trikonasana: Uitgestrekte driehoek








